Wajikra – ויקרא – En Hij riep

Het derde boek van de Torah wordt Leviticus genoemd, naar de stam Levi, omdat in dit boek de taken van de priesters worden beschreven. Dit boek was bij de rabbijnen bekend als Torat Kohaniem; Instructie van de priesters. Sommige geleerden denken dat dit boek geschreven is door priesters voor priesters, omdat de beschrijvingen van de offerdiensten erg gedetailleerd zijn. Wajikra is het eerste woord uit de dit boek, wat betekent: En Hij riep.

Deze parasja beschrijft de manier waarop elk offer moet worden geofferd. Het gaat om vergeving en verzoening. Zoals ook in Hebreeën 10 staat gaat het om de herinnering van onze zonden. Door de herinnering aan onze zonden, blijven we een nederige houding hebben tegenover de Eeuwige. 

Als je je ergens schuldig over voelt, wil je weer goed maken met de ander. Dat begint met toenadering. Zonder deze daad, wat dan geaccepteerd moet worden door de ander, blijf je met een vervelend gevoel zitten en is het gevolg van schuld nog niet afgedaan. Er zit nog wat tussen jou en de ander in. Door middel van de offers laat de Eeuwige zien hoe Hij wilde dat het volk tot Hem naderde en onder welke omstandigheden hij de offers zou aanvaarden, zodat het gevolg van de schuld, de straf, helemaal weg was. Dan herinnert de Eeuwige jouw schuld niet meer, maar je zou dan ook je eigen schuld niet meer mogen herinneren. Dat laatste is alleen niet gemakkelijk. En zo blijven we met de gevolgen van de schuld zitten, we straffen onszelf, zodat we geen toenadering hebben, terwijl die weg is vrijgemaakt. In de loop van de tijd worden de gevolgen groter en groter. Door het straffen van onszelf beginnen we negatief over onszelf te denken; we zijn niet goed genoeg. In de vorige parasja lazen we juist dat we allemaal mochten meedoen met onze gaven en talenten voor Zijn tabernakel. Op deze manier herinnert de tabernakel ons aan dat het gevolg van de schuld weg is en dat we talenten hebben die we mogen inzetten tot eer van Zijn grote Naam. 

Yeshua heeft de straf van de zonde voor ons weggenomen en dan werkt het eigenlijk op dezelfde manier.
Laten we onze zonden belijden, zodat de Eeuwige ons kan vergeven en ons reinigt van alle kwaad (1 Johannes 1:9).
Dan kunnen we ons volledig inzetten voor de Eeuwige en voor elkaar, met al onze gaven en talenten, want die hebben we allemaal in overvloed ontvangen.

Wajikra – ויקרא – En Hij riep

Het boek Leviticus draagt de Hebreeuwse naam Wajikra. Het zijn de openingswoorden van het derde boek in de Torah, het boek dat de diepere ontmoeting met JHWH bespreekt. Een ontmoeting tussen Hem en de mens. JHWH is op zoek naar Zijn mens. Zoals Adam in de Tuin van Eden. “Adam waar ben je?” Zoals Henoch geroepen werd. Zoals Noach geroepen werd en Abraham en Mozes; “Waar zijn jullie? IK wil contact/relatie met je!” En zoals het volk Israel in de Sinai voor de berg Horeb. Nu kan de Torah (het boek Wajkira/Leviticus) eindelijk spreken over wat JHWH het meest van al begeert: een ontmoeting met de kroon op Zijn schepping. En dat wil HIJ ook met ons! Daarom opent het boek met de woorden “En Hij roept!” Israël was al een hele tijd op weg om te leren wandelen als vrije mensen in de herschepping die God op de berg Sinaï uitgesproken had. Maar telkens werden er nieuwe maatregelen genomen om afstand te scheppen tussen God en Israël, omdat zij er nog teveel moeite mee hadden om hun slaafse identiteit van afgodendienaar af te leggen. Maar die afstand bleek overbrugbaar! We zagen in Exodus het plan van G’d ontstaan die de afstand tussen God en mens overbrugt. De tabernakel als beeld van de komende Verlosser.

In Leviticus vinden we een hervertelling van de komst van JHWH in het kamp van Israël (Lev.9). Daarnaast vinden we heel uitgebreid omschreven hoe de mens tot Hem mag en kan naderen om Hem te ontmoeten. JHWH roept de mens in Leviticus om te komen en vreugde met Hem te bedrijven en een maaltijd met Hem te vieren en de eenheid met Hem te bevestigen. Zo brengt Leviticus ons dichter bij JHWH dan enig ander boek in de Bijbel! Is het dan niet vreemd om te zien dat juist dit boek het minst populair van de Bijbel is?
 
Het zoutverbond hier genoemd in 2:13 en verder nog in Numeri 18:19 en in  2 Koningen 13:5. Zout was een betaalmiddel (Soldij). Het was/is een smaakmaker en een middel die bederf tegengaat. Zout is een symbolische betekenis van een onverbrekelijke verbintenis. In de tijd van Israel en ook die van Yeshua droegen zakenmannen vaak een klein tasje met zout aan hun heup. Als ze dan een verbond aangingen namen ze een beetje van hun zout en stopten dat in het tasje van de ander. Als ze de voorwaarden hadden voorgelezen schudden ze hun tasjes zodat hun eigen zout met dat van de ander zou mengen. Om het verbond ongedaan te maken zouden ze het zout korreltje voor korreltje moeten scheiden en dat is niet mogelijk. Het zout was symbool voor het vaststaan van het verbond.
 
Conclusie:
De Eeuwige en onze Verlosser wil in ons wonen. Hij roept ons. Hij wil in het allerheiligste (Heilige der Heilige) van ons leven Koning zijn. Daar wil Hij Zijn Menora (Licht voor de wereld) en de ark van het verbond (zoutverbond) neerzetten. Maak plaats voor Hem en ruim de allerheiligste plaats in je leven op.
Mattheus 5:13 – “Jij bent het zout der aarde en je bent het licht der wereld.” Dit zegt Yeshua zelf. HIJ, de Eeuwige en onze Verlosser, is met ons een zoutverbond aangegaan. Deze is onverbrekelijk!
Laten wij daarom de smaakmakers van deze wereld zijn die ieder bederf tegen gaan!