Sjemini – שמיני – Acht

Na de priesterwijding moet er door offers verzoening worden gebracht. Verzoening met de Eeuwige. Iedereen wordt opgedragen om eerst de offers te halen. Voor verzoening is een offer nodig. Het kost je wat. Dit is ook de houding die we nodig hebben voor verzoening met een ander. Eerst moet de bereidheid er zijn om er dingen voor op te offeren. De strijd, het gelijk hebben, onze ego, het toegeven van fouten. Als je je met je broeder of zuster wil verzoenen moet je van te voren bewust zijn van het offer dat je brengt. Dit is een eenzijdig offer. Niet omdat jij offert, moet de ander ook offeren. Ook al zou je niets verkeerd hebben gedaan, alsnog moeten we het offer brengen om verzoening te bewerkstelligen. 

In de houding van verzoening, hebben we tegelijkertijd ook een nederige houding. We kunnen dan oprecht naar elkaar luisteren. We zijn ontvankelijk om te luisteren naar de wil van de Eeuwige en kunnen daardoor ook beter luisteren naar de ander. Verzoening met de Eeuwige staat daarom ook voorop. Dan krijgen we de houding om te luisteren, Sjema, en dan ook te doen wat Hij van ons vraagt, Zijn Torah.

In deze parasja lezen we ook welke dieren er gegeten mogen worden. De vraag waarom we bepaalde dieren wel of niet mogen eten wordt vaak beantwoordt met: omdat God dat van ons vraagt (gehoorzaamheid) of omdat God goed voor ons wil zorgen en dan komt vaak de uitleg waarom bepaalde dieren onrein zouden zijn. Het zijn aaseters of een andere uitleg. Het onderzoeken naar het waarom leidt soms van het doel af. We willen Kosher eten, als het te verklaren is. Tegelijkertijd zien we de Torah dan ook als een medisch boek. Waarom zouden we ons dan aan de Torah houden, voor elk probleem is er een oplossing. Als we medicijnen zouden maken, die de kwalen zouden wegnemen die de onreine dieren veroorzaken, zouden we dan die dieren wel mogen eten? Veranderen dan de spijswetten?

Wellicht is er nog een andere uitleg dan deze voor de spijswetten. De uitspraak: je bent wat je eet, kennen we wel. In geestelijk perspectief zou dit voedsel ons dus ook kunnen heiligen en ons nader tot de Eeuwige brengen. Het staat er ook zo specifiek: dieren op het land met gespleten hoeven en die herkauwen. De Tora heeft in feite ook gespleten hoeven. Er zijn minimaal 2 uitleggingen mogelijk door de hele Tora heen en alle uitleggingen dienen herkauwd te worden. Door de verzoening die eerst heeft plaatsgevonden is dit ook mogelijk. Je hebt dan open oren en een open geest om je niet vast te blijven houden aan 1 waarheid maar de rijkdom van de andere uitleggingen ook kan ervaren.

Laten we ons verzoenen met de Eeuwige en met elkaar, zodat we een nederige houding krijgen en houden. Dat we de rijkdom van de Torah in elkaar kunnen ervaren.

Shemini – שמיני – Acht

Shemini (Shmini of Sh’mini) betekent ‘achtste’.
 
Gedurende zeven dagen verbleven Aäron en zijn zonen in de tent van samenkomst als onderdeel van hun inauguratie. Op de achtste dag vroeg Mozes hen om de offers (korbanot) aan de Heer te presenteren. Deze offers werden gegeven als een soort “welkomstceremonie” om de komst van Gods Shekhinah (Glorie of Goddelijke Aanwezigheid) te begroeten. “Toen zei Mozes:” Dit heeft de HERE u geboden te doen, opdat de heerlijkheid des HEREN u zal verschijnen. “
 
Het duurde een volle zeven dagen van voorbereiding voordat ze aan deze nieuwe en heilige functie konden beginnen als priesters die Adonai dienen in de Mishkan (Tabernakel), waar de Heerlijkheid van de Heer kwam wonen. Terwijl het getal zeven staat voor voltooiing (zoals Gods schepping van het universum), staat getal 8 vaak voor een nieuw begin:

  • Op de zevende dag keek God toe en zegende het en noemde het een afgezonderde, heilige rustdag. Op de achtste dag werd het werk echter weer opgevat.
  • De achtste dag is daarom een soort verjaardag van de Schepping.
  • Acht zielen werden gered tijdens de Mabul HaGadol (Grote Zondvloed).
  • De achtste dag wordt beschouwd als een dag van verbond (brit), want het is op deze dag dat elk Joods mannelijk kind door het besnijdenisritueel (Brit Milah) in verbond met de Almachtige God zal worden gebracht.
  • David was de achtste zoon van Isaï en de eerste grote koning van Israël uit wiens stam HaMashiach (de Messias) zou komen.
  • Op de achtste dag (eerste dag van de week) stond Yeshua op uit het graf en werd de bikkurim (eersteling) van allen die op de laatste dag zullen opstaan.

Andere voorbeelden van acht zijn de volgende:

  • Er waren acht specerijen met wierook.
  • Ook had de Cohen HaGadol (Hogepriester) acht kledingstukken.
  • Vaak krijgen de wekenlange feesten van Pascha en Soekot(Loofhuttenfeest) een extra achtste feestdag, zoals Acharon shel Pesach (laatste dag van Pesach) en Shemini Atzeret (Achtste dag van samenkomst) op Soekot.
  • In de Misjkan op de achtste dag in actieve dienst komen, was niet de enige aanwijzing voor een nieuw begin in deze Parasha.

De wijding van Aäron en zijn zonen, evenals de woestijn-tabernakel, vonden exact één jaar na de uittocht uit Egypte, in Nisan plaats, de eerste maand. Nisan is het begin van de lente, als het regenseizoen ten einde loopt, beginnen de fruitbomen te bloeien en de velden zijn bedekt met wilde bloemen. Het Hebreeuwse woord voor de lente is aviv. Dit woord kan in twee delen worden verdeeld: av, wat vader betekent; en iv, die een numerieke weergave van 12 heeft. Aviv (lente) wordt dus gezien als de vader van de twaalf maanden van het jaar.
Pascha, dat plaatsvindt in deze eerste maand van Nisan, is de symbolische “vader” van de twaalf stammen van Israël als een nieuwe natie.
 
Daarom heeft de hele Hebreeuwse kalender een geestelijke verbinding met de vorming van de twaalf Hebreeuwse stammen, en de dienst van de priesters vertegenwoordigt een nieuw begin voor heel Israël. Derhalve volgen wij deze kalender. Op de achtste dag waren de voorbereidingen voor Gods glorieuze toegang tot de Mishkan (Tabernakel) voorbij en begonnen Aäron en zijn zonen met hun priesterlijke bediening. Maar er ging iets vreselijk mis!
 
Nadab en Abihu, de twee oudste zonen van Aaron kwamen om in een oogwenk – verslonden door het verterende vuur van Gods toorn. Waarom? De Torah zegt dat ze “vreemd vuur” aanboden, wat God niet geboden had. Het Hebreeuwse woord zarah heeft de uitleg van vreemd zijn of een andere soort.
Wat was het antwoord van Aaron op zo’n verontrustende familietragedie? Stilte. (Leviticus 10 3)
 
Aaron’s reactie op deze tragedie is misschien een illustratie van het bekende gezegde dat “stilte goud is.” In een tijd van groot verdriet, bleef Aaron zwijgen in plaats van zich uit te spreken in een boze beschuldiging tegen God. Wanneer we door pijnlijke processen in het leven gaan of wanneer een tragedie onverwachts toeslaat – ziekte, scheiding, ongeluk of zelfs de dood – is misschien wel de beste strategie om onze mond gesloten te houden totdat we controle hebben over wat we zullen zeggen.
 
Salomo schreef in al zijn wijsheid het vers: “Zelfs een dwaas, als hij zwijgt, wordt als wijs beschouwd; wanneer hij zijn lippen sluit, wordt hij als voorzichtig beschouwd.” (Spreuken 17:28) We zien deze waarheid met Job’s vrienden. Na getuige te zijn geweest van zijn vreselijke situatie, zaten ze alleen maar stil naast hem. Het is waarschijnlijk het beste, want toen ze uiteindelijk hun mond openden om te spreken, vloeiden dwaze beschuldigingen uit.

Sjemini – שמיני – Acht

Tot dusver was er in de voorafgaande teksten in Leviticus steeds sprake van een gebod van God, dat vervolgens werd uitgevoerd. Dat was een vast patroon: God gebood iets en dat werd daarna gedaan. Dat vindt u ook weer in vers 4: Mozes draagt twee neven op om de beide doden buiten het kamp te brengen, en dan staat in vers 5: zij droegen hen het kamp uit. In vers 6 en 7 geeft Mozes een bevel, en dan zegt vers 7: ze hielden zich aan wat Mozes had opgedragen. Dit patroon wordt door Nadab en Abihu eigenmachtig doorbroken.

God heeft zijn protocol voor deze feestdag uitgevaardigd, maar Nadab en Abihu vinden het niet genoeg en voegen er een eigen spontane actie aan toe. Zij willen Hem een offer brengen dat Hij niet geboden heeft en waarom Hij ook niet heeft gevraagd. Zij willen naderen tot God, maar buiten de weg om die de HERE heeft geboden. Datgene waarop het aankomt is: zij doen iets en eigenen zich iets toe wat God hun niet vroeg of gaf. Dat het om een spontane actie gaat, blijkt onder meer uit het feit dat ze het met z’n tweeën doen.

Er zijn nog twee zonen van Aäron: Eleazar en Itamar. Maar die doen niet mee. Het is dus geen actie van de ‘gezamenlijke zonen van Aäron’, maar van Nadab en Abihu privé. Deze twee hadden indertijd – in Exodus 24 – samen met Mozes en Aäron en zeventig oudsten mee gemogen de berg Sinaï op. Zij hadden God gezien, en voor zijn aangezicht gegeten en gedronken. Nu zijn deze twee kennelijk zo door heel het gebeuren aangestoken dat ze uit het protocol stappen, en vinden dat ook zij hun duit in het zakje moeten doen en tot God mogen naderen met hun offer. Heel spontaan en heel enthousiast, ongetwijfeld. Maar ze doen wel iets waartoe God hun geen opdracht of toestemming heeft gegeven. Ze gaan een stap verder dan God heeft aangegeven. Niet alleen Aäron moet een offer brengen, ook zij willen dat. Omdat ze zichzelf zo goed voelen? Omdat ze eerzuchtig zijn? Misschien waren ze gewoon super enthousiast! Wat hun drijfveer ook mag zijn: de HERE laat merken wat Hij ervan vindt. Hij zet meteen bij het allereerste begin van de priesterdienst de puntjes op de i, en zorgt voor een onvergetelijke les over zijn heiligheid.

De HERE laat aan heel het volk zijn majesteit zien. Juist in zijn directe omgeving komt het erop aan. Wie tot Hem mogen naderen, moeten het diepst doordrongen zijn van zijn heiligheid. Juist in hen moet zijn heiligheid zichtbaar worden. Ook in je enthousiasme mag je dat niet vergeten! Mozes herinnert Aäron aan een eerder Godswoord: ‘Dit bedoelde de HERE toen Hij zei: Door degenen die in mijn nabijheid verkeren, toon Ik mijn heiligheid. Het hele volk maak Ik getuige van Mijn majesteit.’ En Aäron zweeg, staat er dan in het slot van vers 3. In het slot van hoofdstuk 9 staat dat het volk begon te jubelen. Maar op dit moment gaat de mond van Aäron dicht. Hij zwijgt. Met stomheid geslagen. Maar ook uit eerbied. Hij buigt voor God. Nadab en Abihu wilden naderen tot God en Hem hun offer brengen. Maar ze gingen voorbij aan zijn heiligheid en de weg die de HERE zelf gewezen had.

Als het gaat om het naderen tot de heilige God, dan geldt ook in het nieuwe verbond dat dat alleen kan langs de door de Here geopende weg. Het is Yeshua de Messias die de toegang tot Gods troon voor ons verworven heeft. En het is zijn Geest die ons tot Abba, Vader doet naderen. Tot God naderen kan daarom alleen ‘in geloofsverbondenheid met Yeshua’. Een andere weg is er niet. Nadab en Abihu konden niet zomaar voor Gods heilig aangezicht verschijnen, wij kunnen dat ook niet. Niet op eigen kracht, niet in eigen vroomheid, niet uit eigen enthousiasme of ontroering.

Aanbidden begint met je buigen voor God. Heel diep buigen en zwijg dan maar. Wij naderen tot God in de naam van Yeshua. Zo alleen. Niet wij, maar de HERE maakt de dienst uit. In deze parasha vinden we tot drie keer: weest Heilig want IK ben heilig. Dat is geen verzoek. Het is een opdracht een bevel. Ook Petrus zegt dit met dezelfde woorden. Niet in een kramp zoals Nadab en Abihu maar in totale overgave en aanbidding. Dat is met onze neuzen op de vloer en dat zijn we niet gewend. Weest heilig want IK ben heilig daar is geen woord Frans bij.