Naso – נשא – Tel

Een bijzonder verhaal in deze parasha over het bittere vloekbrengende water, dat een vrouw moet drinken als ze door haar eigen man wordt verdacht van overspel.
 
Er is hier sprake van een offer van jaloezie, een herinneringsoffer van de zonde. De man is jaloers, net zoals onze God een jaloers God is; Hij duldt geen andere goden naast Hem. De jaloezie komt voort uit de afgoderij dat nog niet aan het licht is gekomen. Het niet volgen van Zijn Torah en ons bezig te houden met andere dingen, dat onze afgoden worden. Niet al onze afgoderij is nog aan het licht gekomen. Het herinneringsoffer wijst naar Yeshua. Yeshua brengt ons de zonde in herinnering. Hij confronteert ons met de zonde. 

Het offer was een graanoffer van gerstemeel. Na Pesach wordt de eerste van de gerste oogst aangeboden. Dit verwijst ook naar Yeshua. De gerste oogst, het herinneringsoffer is Yeshua. De man brengt dit offer naar de priester. Yeshua brengt dit offer en niet wij als gemeente.

Als er overspel is gepleegd zal het bittere vloekbrengende water een vloek voor de vrouw worden. We hebben als gemeente allemaal met onze woorden, gedachten en daden overspel gepleegd en zouden allemaal eigenlijk van het bittere vloekbrengende water moeten drinken. 

Bitter water doet me ook denken aan het water in Mara (Exodus 15) dat niet gedronken kon worden omdat het zo bitter was. We kunnen het niet drinken, want het bittere vloekbrengende water brengt ons de vloek. Met een stuk hout wordt het water zoet gemaakt. Het hout, wat verwijst naar het sterven van Yeshua. Hij heeft de zonden gedragen (2 Petrus 2:24).

Met het drinken van het bittere vloekbrengende water wordt door het sterven en de opstanding van Yeshua de vloek ongedaan gemaakt. Het heeft geen bittere uitwerking op de vrouw; het lichaam (de gemeente). We blijven ongedeerd.

Yeshua geeft ons water dat eeuwig leven geeft. Johannes 4:14; maar wie het water drinkt dat ik hem geef, zal nooit meer dorst krijgen. Het water dat ik geef, zal in hem een bron worden waaruit water opwelt en eeuwig leven geeft.

In de woestijn van ons leven hebben we allemaal dorst, laten we onze dorst lessen door water waar je geen dorst meer van krijgt. Water dat eeuwig leven geeft.

Naso – נשא – Tel

De parasha van deze week is verre weg de langste van alle parashot. Het kent 176 verzen en dat zijn er evenveel als de langste psalm die de bijbel kent namelijk Psalm 119. Er is veel overeenkomst tussen deze parasha en psalm 119. Zo wordt er in beiden geschreven over de Mishkan (Huis/woongebied van G’d) en over de Mitswot (wet). Ook komt in beiden volgens de rabbijnse visie het Hannukah feest voor – wijdingsgave 7:84. G’ds woord zit tot op detail niveau vernuftig in elkaar en doet recht aan alle aspecten van het leven. Deze overeenkomst berust dan ook niet op toeval zoals in G’ds woord niets op toeval berust.  Ook in deze parasha zien we veel verbanden met Yeshua als Verlosser voor Israel en allen die bij Israel willen “horen”. Het Nazireeërschap (alhoewel Hij geen Nazireeër was) verwijst naar Yeshua en dat niet toevallig via de Haftarah (Richteren 13) waarin Simson een beelddrager is van Yeshua.  Mosje had de gewoonte om in de “tent der samenkomst” te spreken met HEM.  Mosje hoorde dan ook duidelijk de Stem van HaShem. Ook wij kunnen met gerust hart spreken in onze binnenkamer en met ons heilig huis (lichaam) tot de Eeuwige. Niet altijd of meestal niet zullen wij hoorbaar Zijn Stem vernemen.  Toch hebben wij Zijn Woord om te weten wat Zijn wil is voor ons.  Zijn Woord is een lamp voor onze voeten en een licht op onze weg. Psalm 119:105. Die heilige weg willen wij ook gaan want Hij gaat ons voor!