Behar – בהר – Op de berg / Bechoekotai – בחקתי – In mijn besluit

De vorige parasha (Emor) eindigt met de tekst dat zowel vreemdelingen als geboren Israëlieten volgens dezelfde norm moeten worden berecht. Er wordt geen onderscheid gemaakt.

Parasha Behar gaat hierop verder. Als het land in rust is, is alles wat er op komt voor de vreemdelingen, slavinnen, loonarbeiders, zelfs voor de veestapel en in het wild levende dieren. Hier wordt ook geen onderscheid gemaakt. We leren te delen met anderen wat we van de Eeuwige hebben ontvangen. Dat we dankbaar mogen zijn en vanuit die dankbaarheid mogen uitdelen. Alles wat opkomt is dan niet meer van mij of van jou, het is van ons allemaal. In deze jaren biedt het juist de armen perspectief en bemoediging. De Eeuwige ziet ook naar hen om.

Ook heden ten dage is het een ‘schande’ om arm te zijn. Je schaamt je en wil eigenlijk niet dat anderen weten dat je arm bent. Toch is het zichtbaar. O.a. aan de kleding die je draagt, en destijds ook aan de offers die je brengt. Alles naar evenredigheid. Wel mooi, maar als je tot de groep behoort kun je je onwaardig voelen. Er wordt over je gesproken, door sommigen denigrerend. Misschien kon je niks aan de armoede doen en misschien ook wel. Schuld en schaamte komt hierbij kijken. Met pijn en moeite vraag je een ander om hulp, vanuit de diepte van je ziel. Vernedering kun je voelen. Daarom zegt de Torah dat je de arme bijstand moet verlenen. Zodat zijn of haar waardigheid zal blijven bestaan.

In Lukas 4:18-19 heeft Yeshua het over het jaar van welbehagen. Hij geeft hier de waardigheid van de mensen terug. Zoals in het jubeljaar alles werd teruggegeven, geeft Yeshua ieders waardigheid terug. Iedereen is dan weer op de plek waar hij hoort te zijn en er is geen schuld meer. Blinden kunnen zien en armen ontvangen redding, hoop en toekomst. Yeshua is onze losser. Niet vanuit hoogmoed geeft hij om ons, maar vanuit nederigheid.

Parasha Bechokotai sluit hierop aan. Als we al zijn mitswot doen, kunnen wij ook de waardigheid voor elkaar herstellen. Alles wat we doen heeft invloed op een ander. We zijn allemaal even waardevol.

Bijzonder hierin is ook spreuken 19:17
Wie barmhartig is voor een arme leent aan de Eeuwige, die zal hem zijn weldaad vergoeden.

We lenen dan niet aan de arme, maar aan de Eeuwige zelf en dat doet me denken aan de tekst in Matteüs 25:35-4; wat we voor de geringste doen dat hebben we voor Yeshua gedaan.

Laten we in liefde elkaar en onszelf waardigheid geven. Laten we hierin het voorbeeld van Yeshua volgen.

Bechoekotai – בחקתי – In mijn besluit

(Mijn inprentingen/besluiten)

Bechukotai betekend eigenlijk “onuitwisbaar ingraveren”!

De eerste helft van het Torah gedeelte van deze week, Bechoekotai , begint met 13 zegeningen en gaat dan verder met 30 vervloekingen die zullen voorkomen als we Gods geboden niet volgen en eindigt met een laatste zegen van troost van de Eeuwige. De Eeuwige zegt in feite dat hoewel er vernietiging zal zijn, Hij nog steeds bij je zal zijn in de duisternis. Dit is een vreemde vorm van troost in het licht van het geweld van de vervloekingen die eraan voorafgaan.

De vervloekingen gaan over leegte en honger – honger naar vrede, rust, land en voedsel. Een van hen concentreert zich op fysieke honger: “Wanneer ik uw staf brood verbreek, zullen tien vrouwen uw brood bakken in een enkele oven; zij zullen uw brood bij het gewicht uitdoen, en hoewel u eet, zult u niet verzadigd worden “. Dit vers houdt in dat zelfs wanneer we eten, we nog steeds de knagende hongerpijn voelen die we krijgen op het vasten van Yom Kippur.

Dit vers wordt gezien als een voorafschaduwing van de Joodse ervaring tijdens de Holocaust. In de kampen heerste er constante honger. In plaats van brood te bakken in de ovens, zoals ons vers suggereert, werden vrouwen zelf in de ovens gestuurd.

Yaffa Eliach vertelt het volgende verhaal over overlevende Tula Friedman. Overgenomen uit Union for Judaism:

Een ober kwam naar de tafel met een mand met brood. Tula sloot haar ogen en inhaleerde de geur van het versgebakken brood. Ze gaf de mand aan mij door zonder enige er van te nemen. Ze zei: “Weet je, in het kamp droomde ik altijd dat ik ooit met een bakker zou trouwen, en in ons huis zou er altijd een overvloed aan brood zijn.”

“Voor deze mand met brood,” zei een andere vrouw aan de tafel, “kon je in het kamp alle sieraden kopen die je bij deze bar mitswa ziet. Eenmaal in Bergen-Belsen heb ik een diamanten ring geruild voor een dun plakje wit brood. ”

Het brood op de tafel was nog steeds onaangeroerd. De ober kwam weer aan tafel. “Dames, ik zie dat jullie vandaag geen honger hebt.”

“Niet vandaag,” antwoordde Tula, “en nooit meer.”

De ober stond op het punt het brood te verwijderen. “Laat het op tafel,” zei een andere vrouw. “Er is niets geruststellends in deze wereld dan een mand met vers gebakken brood op tafel voor je te hebben staan.”

In de kampen waren de dagen gevuld met vervloekingen, vergelijkbaar met die in de Torah portie van deze week. De Talmoedische uitdrukking Ein kemach, ein Torah; ein Torah, ein kemach – “Als er geen voedsel is, is er geen Torah; als er geen Torah is, is er geen voedsel “- is aangrijpend in het licht van de Holocaust .

Met andere woorden, als er geen voedsel in onze maag is of als we niet de fysieke of emotionele essentiële dingen voor het leven hebben, dan is het voor ons onmogelijk om de woorden van de Thora te absorberen of de relatie met de Eeuwige te ervaren. En als we geen relatie met de Eeuwige in ons leven hebben, missen we de essentiële voeding voor onze ziel. Na Auschwitz keerden veel mensen zich van God af omdat ze Gods tegenwoordigheid niet in de duisternis hadden kunnen voelen.

Misschien is daarom de troostzegen zo belangrijk:

Maar zelfs dan, wanneer zij in het land van hun vijanden zijn, zal Ik hen niet verwerpen of afwijzen om hen te vernietigen, Mijn verbond met hen vernietigend, want Ik, de Eeuwige, ben hun God. Ik zal in hun voordeel het verbond met de Ouden herinneren, die ik uit het land Egypte bevrijd heb voor de ogen van de naties om hun God te zijn: Ik, de Eeuwige. (Leviticus 26: 44-45)

Wanneer we in emotionele of fysieke duisternis zijn, wanneer het lijkt alsof onze wereld uit elkaar valt en we Gods Aanwezigheid niet kunnen waarnemen, ondersteunt het troostvers ons. God is daar in de duisternis, misschien stil maar wachtend. Zelfs als we ons vervloekt voelen, is de zegen van de Eeuwige verzekerd. Als we klaar zijn, zullen we Gods Aanwezigheid opnieuw voelen.

Voelt u zich in duisternis of heeft een kennelijke vervloeking zich van u meester gemaakt, neem dan contact op.

Behar – בהר – Op de berg / Bechoekotai – בחקתי – In mijn besluit

Het boek Wajikra (Leviticus) is letterlijk en figuurlijk het hart van de Torah maar meer nog het is het hart van de bijbel. Lev=hart. Maar dit boek is ook het hart van het evangelie van verlossing door de Messias Yeshua. Zonder dit kleinste boek van de Torah geen verlossing door het bloed van Yeshua onze Messias. In het Grieks: Jezus Christus. Het boek bestrijkt maar een periode van 8 dagen. Dit op zich is al opmerkelijk: 8!
Henk Kotterink wist afgelopen Shabbat de prachtige inhoud en de diepgaande vergelijking te maken met de mantel van de priester die niet verscheurd mocht worden en de mantel van Yeshua onze Verlosser. Kajafas de hogepriester scheurde zijn mantel wel en daarmee hield het hogepriesterschap op en ging over naar degene van wie de mantel niet verscheurd werd. Vraag ons naar deze spreekbeurt en je ontvangt het per mail.

Met deze zeer duidelijke verwijzing van het verlossend werk van onze Heer en Heiland en de genoemde Bijbelse feesten (de enige feesten in de bijbel genoemd) die er zijn in hoofdstuk 23 kunnen we zonder twijfel aannemen dat dit boek Wajikra/Leviticus het meest centrale boek is van de bijbel.

In de eerste plaats staat in het boek Leviticus over de 100 keer: IK ben de Here Uw G’d.  Hoofdstuk 24:22 zegt ook alweer iets essentieels. Iedereen die zijn geloof (recht) bouwt op de ” edele olijf” zal zich dienovereenkomstig dienen te gedragen. Houden aan alles waar Israel zich ook aan dient te houden. De laatste drie hoofdstukken van dit boek zijn ook alweer zeer belangrijk en zien op de toekomst. Het gaat in hoofdstuk 25 over de Shemitah (vrijlating) in de jubeljaren en de lossing van het land. In vers 23 een alweer essentiële uitspraak voor eeuwige toekomst:

Het land (Israel) is van MIJ!
Laat daar geen misverstand over zijn anno 2018. Deze uitspraak dateert van meer dan 3500 jaar terug. In hoofdstuk 26:33 wordt de diaspora van het jaar 70 AD aangekondigd. Maar nog in datzelfde hoofdstuk geeft de Eeuwige aan dat Hij zijn verbond met Israel nimmer zal vergeten en hen zal terugbrengen!