Eikev – עקבן – Wanneer (je volgt)

In deze Parasha komen de volgende onderwerpen aan de orde: Dien de Eeuwige en doe afgoderij weg (hfdst 7); G’ds weldaden vragen dankbaarheid (hfdst 8) Waarschuwing tegen eigengerechtigheid (hfdst 9); Vermaning tot dankbare gehoorzaamheid (hfdst 10); De zegen der gehoorzaamheid en de vloek der ongehoorzaamheid (hfdst 11). Centraal thema in deze hoofdstukken is: ‘Gij zult de Here, uw God, liefhebben en alle dagen zijn dienst, zijn inzettingen, zijn verordeningen en zijn geboden in acht nemen.’ Devarim 11:1!

Met deze woorden in het achterhoofd sla ik graag een paar boeken verder de bijbel weer open en kom aan in psalm 119. ‘Welzalig zij, die onberispelijk van wandel zijn, die in de wet des Heren gaan. Welzalig zij, die zijn getuigenissen bewaren, die Hem van ganser harte zoeken; die ook geen onrecht plegen, (maar) wandelen in zijn wegen. Gij hebt uw bevelen geboden, opdat men die ijverig onderhoude. Och, dat mijn wegen vast waren om uw inzettingen te onderhouden. Dan zou ik niet beschaamd staan, als ik op al uw geboden zie. Ik zal U loven in oprechtheid des harten, wanneer ik uw rechtvaardige verordeningen leer. Uw inzettingen zal ik onderhouden; verlaat mij niet geheel en al.’

Is het moeilijk Zijn geboden/wetten te houden? Johannes zegt dat Zijn geboden/wetten niet zwaar zijn. Maar over welke geboden/wetten hebben wij het dan eigenlijk? Onze eigen interpretatie van de wetten kan het niet zijn. Wat G’ds geest ons in geeft is erg zweverig en onzeker. De Eeuwige is er wel heel duidelijk over welke wetten dat zijn namelijk de gehele wet (Torah) en de profeten.

En wat zegt Hij in psalm 19?
‘De wet des Heren is volmaakt, zij verkwikt de ziel; de getuigenis des Heren is betrouwbaar, zij schenkt wijsheid aan de onverstandige. De bevelen des Heren zijn waarachtig, zij verheugen het hart; het gebod des Heren is louter, het verlicht de ogen. De vreze des Heren is rein, voor immer bestendig; de verordeningen des Heren zijn waarheid, altegader rechtvaardig. Kostelijker zijn zij dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig, ja, dan honigzeem uit de raat. Ook laat uw knecht zich daardoor ernstig vermanen; in het houden ervan ligt rijke beloning.’

‭‭Met andere woorden: als je G’d liefhebt dan volg je de wet zoals deze is beschreven in de Torah en de profeten. Daarin ligt een rijke zegen.

Vaetchanan – ואתחנן – En ik smeekte

Aankomende Shabbat is het een speciale shabbat: Shabbat Nachamoe. Dit is de eerste shabbat na Tisha b’Av. Tisha b’Av, (de 9e Av, dit jaar op 30 juli) een vastendag die de 3 weekse rouwperiode afsluit, die begon op de 17e Tammoez. De rouwperiode voor de vernietiging van Jeruzalem en de twee heilige tempels. 

Na de verschrikkelijke dag van Tisha b’Av, waarin alle Joden in rouw zijn begint Shabbat Nachamoe. Nachamoe wat ‘Troost’ betekent. Tot aan Rosh Hashanah (Jom Teruah) zijn er zeven weken van Troost.

Na de rouwperiode komt er troost. In de maand Menachem Av is er zowel rouw als troost. Een afsluiting van een periode en tegelijkertijd een nieuw begin. De maand waarin we gedenken aan de zonde van afgoderij, waarna de Eeuwige ons als een Vader troost (Menachem = Trooster, Av= Vader) Onze Vader de Trooster, die een Trooster zond voor ons allemaal.

Zoals een vader spreekt Mosjee in deze parasha tot het volk. De laatste toespraken tot hij sterft. Hij neemt het volk mee terug in de tijd en laat hun zien hoe belangrijk de wetten en geboden zijn en hoe goed de Eeuwige, onze Vader, voor het volk geweest is. Bovenal laat hij hen voelen dat de Eeuwige hen als volk heeft uitgekozen. Het bijzondere volk, die aan de wereld laat zien hoe machtig de Eeuwige is en dat hij de Enige, Ware God is. Zonder Hem kan er niets bestaan en zonder Hem kunnen we niets. 

Mosjee geeft het volk de opdracht om de herinnering levend te houden. De herinnering aan de goede daden van de Eeuwige maakt juist dat iedereen zal weten dat het Joodse volk God’s volk is en blijft. Tegelijkertijd bemoedigen en troosten deze herinneringen ons. Juist omdat de Eeuwige zoveel van ons houdt bemoedigt hij ons met de Torah, met de instructies en leefregels, opdat het ons goed zal gaan. 

Hoor Israël, de HEER is onze God, de HEER is de enige. Heb daarom de HEER, uw God, lief, met hart en ziel en de inzet van al uw krachten en Schrijf ze op de deurposten van uw huis en op de poorten van de stad.

‘Wanneer je het Sjema zegt, zou het moeten zijn alsof je een brief van de koning leest, die pas vandaag aan je werd geschreven en die je koestert. Je luistert naar ieder woord afzonderlijk. Evenveel aandacht zou je moeten schenken aan elk woord van het Sjema.’ aldus Rabbijn Jaäkov ben Jitschak Asjkenazi van Janof.

Het Sjema als liefdesbrief, omdat de Eeuwige zoveel van ons houdt en ieder van ons dierbaar is, ondanks al onze fouten die we dagelijks doen. Door onze zonden zijn we Hem niet minder dierbaar, zijn we niet minder waardevol. Dit willen we soms geloven, maar is het waar? Wij zijn allemaal even waardevol, ook onze broers en zussen en daarom moeten we elkaar ook als waardevol zien. Samen zijn we een lichaam, we kunnen niet zonder elkaar. Ik kan niet zonder u / jou!

Devarim

Het zijn eigenlijk geen woorden van Mosjee, maar van de Eeuwige door Mosjee. Dat blijkt ook uit het eerste gedeelte van deze parasha.
Het is de Eeuwige Die spreekt in beelden. Dit boek wordt ook wel de Misjnee Torah genoemd.
Wat zoveel betekent als herhaling van de Torah, de tweede Torah of de
beeldende Torah. Eigenlijk bestaat de Torah maar uit drie boeken zo vinden veel Joodse geleerden. Het boek Berisit (Genesis) heeft alles om te maken met wat de Eeuwige voor Zich geschapen heeft met als grootste
beeld de mens. Daarna worden aan Israel in de drie boeken het
beeld van G’ds volk gegeven. In Devarim schept de Eeuwige zelf het
beeld voor de toekomst: zegen of vloek. Aan Israel (aan u) de keus.

De bekende Misjnaleraar Hilleel (1e eeuw) begreep dit.
Toen hij de leerschool (yeshiva) verliet, werd hij begeleid door zijn studenten.
`Leraar, waar gaat U heen ‘, vroegen zij. Hilleel antwoordde, dat hij een gebod ging vervangen. `Welke mitswa? ‘, Vroegen de leerlingen.
`Ik ga mij baden”: antwoordde Hilleel. `Dat heet een mitswa? ‘. `Jazeker, ‘antwoordde Hillel,` in de theaters en circussen staan ​​standbeelden van de keizer. Een hoge functionaris is speciaal belast met het schoonhouden en oppoetsen van de beelden. Ik, die geschapen ben naar Gods beeld en gelijkenis zoals er geschreven staat (Genesis 1:27): `En God schiep de mens naar Zijn beeld ‘, ben toch zeker verplicht om dat’ beeld ‘schoon te houden?’.

Ik denk dat Hillel en daarmee de Torah van de Eeuwige hier niet alleen spreekt over de uiterlijke van de mens maar vooral ook over het innerlijk van ons als mens. Het is niet eenvoudig, met name niet anno 2020, om schoon te zijn en te blijven in een wereld vol afgoderij. De politiek, wijziging van culturele aspecten, verloedering in de samenleving, macht wellust, ego’s, geldzucht, groeiend antisemitisme, extremisme (BLM) en allerlei andere vormen van het nalopen van zaken welke ons van de werkelijke Torah (G’ds geboden) houden, maken schoon voor te zijn en te blijven. 

Is het dan niet mogelijk? Zeker wel. In deze parasha en in dit boek Devarim wordt ons als volledige mensheid de zegen of de vloek voorgehouden. In die zegen ligt het houden van de Torah met als glorieuze apotheose hoofdstuk 1:30 – “Beeft niet, vreest niet voor dit alles.
De Eeuwige uw G’d zal voor u uit gaan. Hij zal met u strijden! ”

De keuze is aan ons!

Mattot – מטות – Stammen / Masei – מסעי – Tochten

Het Haftarah-gedeelte van deze week gaat verder met een periode van rouw dat vorige week in Parasha Pinchas werd beschreven.

Op 17 Tammuz begint een vasten, wat de dag markeert dat de muren van Jeruzalem door de Babyloniërs werden neergehaald in 586 voor Christus en opnieuw door de Romeinen in 70 na Christus.

Het eindigt precies drie weken later op de 9e dag van Av, de dag dat de Eerste en Tweede Tempel door respectievelijk de Babyloniërs en de Romeinen werden vernietigd.

Deze periode van drie weken heet Bein HaMetzarim, wat letterlijk betekent tussen de engten (Klaagliederen 1:3).

Israël bevond zich ook op een kritiek overgangspunt (Bein HaMetzarim). Ze had Gods geboden kunnen gehoorzamen en de zegeningen ervaren; in plaats daarvan keerde Israël zich van God af en zocht afgoden.

“Mijn volk heeft twee zonden begaan: ze hebben Mij verlaten, de bron van levend water [Makor Mayim Chayim], en hebben hun eigen stortbakken gegraven, gebroken stortbakken die geen water kunnen vasthouden.”  (Jeremia 2:13; zie ook Jeremia 17:13)

Israëls verlaten van God leidde tot de vernietiging van Salomo’s Tempel (Eerste Tempel) en Herodes Tempel (Tweede Tempel) op 9 Av (Tisha B’Av). In beide gevallen werden de Joden in ballingschap weggevoerd.

Die zonde en de gevolgen ervan maken ons Joodse hart vandaag nog steeds zwaar.

In dit Haftarah-gedeelte noemt God zichzelf Makor Mayim Chayim – de bron van levend water. 

Yeshua verkondigde Zichzelf ook als de bron van levend water op de laatste dag van de watergietceremonie tijdens het Feest van Soekot (Loofhutten):

‘Als iemand dorst heeft, laat hem dan naar Mij komen en drinken. Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift heeft gezegd, stromen van levend water [mayim chayim] vloeien van binnenuit.’  (Johannes 7: 37–38)

Yeshua sprak over de Geest van de levende God, en wanneer we van deze levende wateren drinken, vinden we niet alleen leven, maar vernieuwen we de levens van anderen terwijl dat levende water uit ons stroomt.

Alleen door de kracht van deze levende wateren kunnen we met succes onze eigen kritieke overgangsperioden doorlopen en de volledige zegeningen binnengaan die God heeft voor degenen die zijn geboden gehoorzamen.

De “bron” van “levend water” vinden we in de Torah. Het is Torah! Wat een mooie woordspeling: bron en levend water. 

Pinchas – פינחס – Pinchas

Deze parasha begint met de daad van Pinchas. Pinchas die het recht in eigen hand lijkt te nemen. Een dapper besluit, waarmee hij wordt gezegend. Waarom? Omdat hij voor God is opgekomen en verzoening voor de Israëlieten heeft bewerkt. (Numeri 25:13). Het is dus niet alleen dat je voor de Eeuwige opkomt, maar tegelijkertijd verzoening brengt. Juist deze 2 samen zorgen ervoor dat het een rechtvaardige daad is, ondanks dat hier geen rekening wordt gehouden met Mosjee, de leider door de Eeuwige aangesteld. Hij vraagt niet aan Mosjee, hij doet het. In ons eigen leven komen we regelmatig voor de Eeuwige op, maar of dat altijd tot verzoening leidt? Als je voor de Eeuwige opkomt, bedenk dan meteen of dit leidt naar verzoening of niet. Wellicht zit het alleen al in de manier waarop.

Na de plaag vindt er een telling plaats in opdracht van de Eeuwige. Het geeft mij de indruk dat er juist wordt geteld wie er over zijn gebleven na de plaag. Wij zijn gewend om te horen en / of te lezen hoeveel slachtoffers er zijn gevallen. Hoe hebben wij met zn allen de afgelopen maanden naar het aantal doden en zieken geluisterd en misschien zelfs wel bijgehouden mbt het Corona virus? Hoe zou het zijn als we alleen berichtgeving hadden gehad over de levenden? Na de plaag geeft dit wellicht weer nieuwe kracht en moed om door te gaan, want er is een doel met ieder die nog leeft. Het Beloofde Land wordt verdeeld , dat geeft ook weer nieuwe hoop en toekomst perspectief. 

De dochters van Tselofchad voelden zich benadeeld, hun kwam geen grondgebied toe, want hun vader had alleen dochters en geen zonen. Bijzonder dat deze vrouwen in deze tijd voor hun (grond)rechten opkwamen. Hoewel er vaak wordt gesproken dat de positie van de vrouw, destijds ook onder het volk, ondergeschikt was, is dit een voorbeeld dat dit wellicht niet zo was. De vrouwen hadden de moed om naar de Mosjee en de leiders van hun volk toe te stappen. Ze beginnen te vertellen dat hun vader niets te maken had met Korach. Ze hebben zoveel respect voor hun vader dat ze de zonde niet noemen, maar het is duidelijk dat hun vader de autoriteit van Mosjee niet in twijfel trok en het respecteerde dat de Eeuwige Mosjee die plaats had gegeven om het volk te leiden. Ze geven hiermee aan dat ze niet de autoriteit van Mosjee in twijfel trekken, maar juist een oprecht verzoek willen doen. Mosjee wijst deze vrouwen niet af, hij is niet hard tegen ze. Hij had in zijn positie tegen deze vrouwen kunnen zeggen dat het nu eenmaal de wet van de Eeuwige was en dat ze het ermee moesten doen. Mosjee laat geen autoritair gedrag zien, voelt zich niet beter, maar luistert oprecht naar deze vrouwen en gaat voor hen in gesprek met de Eeuwige. Deze vrouwen deden er toe, ze behoorden evenveel bij het volk van de Eeuwige. Zij hadden ook recht van spreken. Iedereen mag voor zijn rechten opkomen, zonder aanziens des persoons.

In dit voorbeeld lees ik ook in Romeinen 11 dat we net als Mosjee, ons niet moeten verheffen boven anderen, maar elkaar als gelijken moeten zien. Iedereen is evenveel waard. De Eeuwige schrijft niemand af op grond van sekse of afkomst. Wij zijn elkaars gelijke; Jood en niet-Jood, hoe kun je dan je gelijke als minderwaardig zien en er zo naar handelen? De Eeuwige hoort elk oprecht gebed, van een Jood en van een niet-Jood. Niemand weet het beter. Zoals een Joodse geleerde Ben Zoma ooit zei: Wie is wijs? Die van iedereen leert.

Balak – בלק – Balak

Deze parasha gaat over een Moabiet (voorvader van Ruth en dus ook van David) die duisternis tracht te brengen onder het volk van Israel. Strijden tegen Israel (en dus tegen de G’d van Israel) heeft geen enkele zin. Daar zijn vele vorsten van toen en ook anno 2020 toch intussen wel achter gekomen. Of niet misschien. Wanneer men een beetje de geschiedenis kent (en / of de Torah) dan weet je dat strijd tegen de Eeuwige (van Zijn volk) geen enkel zin heeft. Toen, de Moabieten en de Amalekieten, hebben telkens in de strijdt met Israel het onderspit moeten delven. Ook nu zien we niet dat de Arabische volken maar van marginale betekenis zijn in de strijdt tegen Israël.

Bileam, de gezand van Balak, wist hoe Balak Israël kon verzwakken. Niet door strijdt maar door verleiding. List en bedrog.

Deze parasha zou ook heden ten dage nog geen goed strategisch voorbeeld zijn voor Israëls wezen. En die heeft Israel anno 2020 voldoende helaas.

Vele malen hebben voor Balak (Moabieten) getracht Israel te weerspiegelen en te overwinnen. Doch “helaas” werden zij allen vreselijk de pan in gehakt. Vechten tegen Israel is vechten tegen de Eeuwige van Israel. Maar tweedracht zaaien tussen de G’d van Israel en Zijn volk. Verdeel en heers tactiek. Tot zonden brengen. Ongehoorzaamheid. Misleiding. De aloude tactiek van de boze.

En dit heeft succes. Israel laat zich verleiden. Waarom? Op deze manier zou Israel niet meer specifieke (HELEMAAL anders dan alle anderen) zijn. Gij geheel anders!

Israël slaagt op dat moment niet in haar opdracht om getuigen te zijn van de Ene en Enige ware Elohim (God)!

Dus we zien dat dit een zeer goed doordacht voornemen is over het plan van Adonai helemaal in de oorlog om te sturen, het plan dat Hij had gemaakt met Abram in Genesis 12: 1-3, waarin Israel een zegen zou zijn voor de volken! Dit wordt de zonde van assimilatie (net zo worden als de rest) genoemd, en daarin verloor het volk van Adonai haar identiteit! Elke keer als iemand de geboden (Mitswot) en aanbidding van JHWH, de ene en enige ware Elohim vermengd met de wegen van de heidenen, is dat hetzelfde als het vermengen van goed met kwaad. Een ernstige zonde. We zien dit terug in de heden daagse religies.

Wanneer we Zijn geboden doen en in Zijn Zoon geloven dan zal de hele mensheid het bestaan ​​van de Enige Schepper erkennen. Waarmee de heerschappij van ‘Het Slechte’ ten einde zal komen. Zover is het nog niet. Nog steeds zijn er die krampachtige pogingen doen om te overtuigen en te bewijzen dat de G’d van Israel niet bestaat. Rabbijn Vorst noemt het: ‘Harachaman Hoe janchieleenoe jom sjèkoelo sjabbat oemenoecha lechajee ha’olamiem’: ‘Mogen wij meemaken dat de hele wereldbevestiging spoedig G’d als Schepper zal erkennen’. Dat zal het tijdperk zijn van een voortdurende strijd in onszelf en tegen Israël. De G’d van Israel. Strijdt de goede strijdt!

Chukat – חקת – Verordening

Er zijn 2 elementen in deze parasha, die deze parasha erg bijzonder maken. Het ritueel van de rode koe en het slaan op de rots door Mosjee, waardoor hij het beloofde land niet binnen kon gaan. Het bijzondere is dat er zo veel verklaringen voor zijn en dat hier juist veel over nagedacht is en men er nog niet over uitgedacht is. In deze 2 elementen zit zoveel verborgen, dat het juist alleen al daarom is, dat ik vermoed dat dit alles met de Messias te maken heeft.

Beide elementen hebben ook met water te maken. Water vermengd met de as van de rode koe en water dat uit de rots komt. Water is ook een verwijzing naar Yeshua, de Messias. Het water als een bron van Eeuwig leven. As vermengd met water, doet me ook denken aan het vloekbrengende water. Ik heb dit eerder in parasha Naso in verband gebracht met het bittere water van Mara. Dit was de eerste keer dat het volk om water vroeg, nadat ze door de Rietzee waren gegaan.

Water is op meerdere manieren een redding geweest voor Mosjee. Vanaf zijn allereerste begin, 3 maanden oud, werd hij te water gelaten en hij werd eruit getrokken, wat tegelijkertijd de betekenis is van de naam Mosjee. Zijn zus Mirjam is daar ook bij aanwezig en die zorgt ervoor dat het gezin bij elkaar blijft voor de tijd die ze met elkaar hebben.

De redding van de Egyptenaren; de weg vrijgemaakt door de Rietzee. Ook hierbij was Mirjam aanwezig. Na de overwinning nam zij het initiatief om te dansen en te zingen; alle vrouwen volgden haar, als dank aan de Eeuwige.

In Exodus 17 is er weer vraag naar water. Bijzonder is dat deze bron naar Mirjam vernoemd is. Ook Mirjam had dus iets met water. Zij was zelf ook een bron. De naam van Mirjam betekent bitterheid. Volgens Rabbi Shlomo Itzchaki (Rashi), werd Mirjam ten tijde van de wrede slavernij geboren en werd ze zo genoemd, omdat de Egyptenaren het leven van het volk bitter maakte. Alleen door haar naam al zouden de Israëlieten zich de bitterheid van het leven in Egypte moeten herinneren.

Elke dag denkt het Joodse volk aan Egypte, aan de bitterheid en de bevrijding door de Eeuwige. Elke dag. Zelf denk ik liever niet aan de bittere periode uit mijn leven. Vergeten wat achter me ligt en uitstrekken naar wat voor me ligt, toch? De bitterheid van Egypte moet elke dag levend zijn, zodat we niet terug verlangen naar het oude leven en het water wat ons maar elke keer weer dorst geeft. Door het herinneren van de bitterheid van Egypte, herinneren we onze bevrijding door de Eeuwige en verlangen we naar het zuivere water. De bron, die eeuwig leven geeft.

Deuteronomium/Devarim – דברים

ParashaTorahHaftarahBrit Chadashah
Devarim – דברים
Woorden
Deut. 1:1-3:22Jes. 1:1-27Hand. 9:1-21;
1 Tim. 3:1-7
Vaetchanan – ואתחנן
En ik smeekte
Deut. 3:23-7:11Jes. 40:1-26Mat. 23:31-39;
Mar. 12:28-34
Eikev – עקבן
Wanneer (je volgt)
Deut. 7:12-11:25Jes. 49:14-51:3Heb. 11:8-13;
Rom. 8:31-39
Re’eh – ראה
Zie
Deut. 11:26-16:17Jes. 54:11-55:5 Joh. 7:37-52;
1 Joh. 4:1-6
Shoftim – שפתים
Rechters
Deut. 16:18-21:9 Jes. 51:12-52:12 Joh. 1:19-27;
Hand. 3:22-23
Ki Teitzei – כי תצא
Wanneer Gij uittrekt
Deut. 21:10-25:19 Jes. 54:1-10 Mat. 5:27-30;
1 Kor. 5:1-5
Ki Tavo – כי תבוא
Wanneer Gij binnenkomt
Deut. 26:1-29:8 Jes. 60:1-22 Ef. 1:3-6;
Op. 21:10-27
Nitzavim – נצבים
Staande
Deut. 29:10-30:20Jes. 61:10-63:9Rom. 10:1-12
Vayelech – בילך
Hierna ging
Deut. 31:1–30Jes. 55:6-56:8Rom. 10:14-18

Korach – קרח – Korach

Deze week wilde ik wat dieper ingaan op het gebruik van zout in het Jodendom. Het idee van een “zoutverbond” zoals we dit ook vinden in (Wajikra/Leviticus 2:13) vindt een echo in de belofte aan de kohaniem dat hun recht op de offers bekrachtigd wordt door het “zoutverbond” (Bemidbar/Numeri 18:19) en in het koningshuis van Koning David welk beschreven wordt in Diwree Hajamiem Beet (Richteren 2) als een “eeuwig zoutverbond” (13:5). Waarom wordt het zout gebruikt als symbool voor een verbond? In de midrasj vinden we dat het eerste verbond dat G-d sloot met deze wereld juist met het zout was. Het zout komt uit het zeewater, en op de tweede dag van de zes/zeven scheppingsdagen, toen G-d een scheiding maakte tussen het “water dat onder het uitspansel was en het water dat boven het uitspansel was” (Beresjiet/Genesis 1:7). 

In deze parasha vinden we namelijk het uitdrukkelijke gebod om aan ieder offer dat we brengen zout toe te voegen, en het verbod om een offer te brengen zonder zout. Deze dubbele opdracht laat de belangrijkheid zien. In Leviticus lezen we over het verbod om honing en zuurdeeg aan het offer toe te voegen. Wel zout, niet zoet. Zout is een conserveringsmiddel. Dit legt uit waarom juist zout moest worden toegevoegd en niet honing en zuurdeeg welke gisting, verval en ontbinding symboliseren. Het legt ons wederom uit waarom juist zout het symbool van een eeuwig verbond is. 

Het zout zelf kent veel tegenstrijdigheden. Zowel uit het water (zee) als uit het vuur (Sedom) kan zout gewonnen worden. Zonder zout kan haast niets bestaan maar teveel zout kan haast alles doden. Het zout zelf is niet in grote hoeveelheden te eten maar zonder zout zijn vele etenswaren oneetbaar. Zout wordt gebruikt bij de geboorte van een kind om de huid mee in te wrijven (Jechezkel/Ezechiel 16:4) en wordt genuttigd (samen met een ei) na het begraven van een naaste. Het wordt gebruikt om te reinigen, zoals Elisha deed met de wateren van Jericho (Melachiem II/ 2 Koningen 2:20-21) of om met opzet onvruchtbaar te maken zoals Avimelech deed met de aarde van Shechem waarin hij zout ploegde als een teken dat het nooit herbouwd mocht worden (Sjoftiem/Richteren 9:45).

Rabbi Jitschak ben Rabbi Sheshet zegt dat het zout ons leert te overwinnen. Zout bederft niet en verandert niet. Rav Hirsch voegt hieraan toe dat dit een gebod is aan de wereld om niets te veranderen (niets af te nemen of toe te voegen) aan de geboden van G-d zoals ook het zout nooit verandert. 

Wij kunnen hier nu aan toevoegen dat het zout een symbool is van een onveranderlijk verbond van G-d met ons. Het recht van de kohaniem op de offers zal hen nooit ontnomen worden. En alleen DE Koning en DE Messiach uit het huis van David zal door G-d erkend worden.

Dit is het zoutverbond.

Shelach Lekha – שלח לך- Zend uit

Onlangs kocht ik een oude brievenhouder uit Jeruzalem, daar staan 2 verkenners op afgebeeld met een grote tros druiven in hun midden. Deze grote tros druiven, waarnaar het Eskjoldal vernoemd werd, staat symbool voor vruchtbaarheid van het land, maar tegelijkertijd ook de zonde die heeft plaatsgevonden door de 10 verspieders.

Dit symbool is heden ten dage vaker te vinden op producten uit Israel. Aan de ene kant geeft het weer dat de Eeuwige Zijn belofte nakomt met zijn volk en aan de andere kant is het een waarschuwing. De waarschuwing die ook door Mosjee gebruikt wordt in Numeri 32, als de stam Gad en de stam Ruben aan Mosjee vragen om hun Jazeer en Gilad te geven, met de angst dat het volk opnieuw ontmoedigd zal worden en niet de Jordaan zou willen oversteken.

De verspieders die negatief verslag hadden uitgebracht over Eretz Israel, het Beloofde land, stierven door een plaag bij het heiligdom. Deze verspieders, leiders, hadden weinig zelfvertrouwen, ze zagen zichzelf als nietige sprinkhanen. Hoe vaak zien we onszelf niet als nietige sprinkhanen? Tot weinig in staat? Juist als leiders dit doorgeven aan het volk, voelde het volk zich ook niet in staat om dit doel te bereiken. De leiders hadden ook hun toekomstperspectief, de bestemming van de Eeuwige met het hele volk afgenomen. Dit lijkt tot grotere gevolgen te hebben. De zonde van de leider heeft geleid tot zonde van het volk.

Het volk is ontmoedigd en wil een andere leider en zelfs weer terug waar ze vandaan waren gekomen. Hoe vaak willen we terug naar de tijden dat alles goed leek en vergeten we ook de moeilijkheden die daarbij kwamen kijken? Juist deze generatie kon het Beloofde land niet ingaan. Deze generatie die ondanks al God’s wonderen bleven klagen, met gebrek aan vertrouwen, aan toekomstvisie, bestemming, zou altijd een reden hebben om terug te willen gaan naar Egypte. Hun kinderen, die het Egypte niet kenden, alleen van verhalen van hun ouders, waar zouden zij naartoe gaan? Hun verlangen om terug te gaan naar Egypte, dat zou er niet zijn. Ze hebben Egypte daadwerkelijk niet echt gekend. Ze waren in vrijheid geboren en geen slaaf geweest van Egypte. 

Vervolgens wil het volk willens en wetens toch het land veroveren, ondanks de waarschuwing van Mosjee. Ze doen het op eigen kracht en denken daarmee de gunst van de Eeuwige terug te winnen. Wat ze eigenlijk doen is de straf niet accepteren als gevolg van hun zonde. En ze accepteerden de autoriteit van Mosjee niet. Rebellie. Accepteren wij soms ook niet de consequenties van onze daden en gaan dan willens en wetens door, grenzen overschrijdend, om ons doel te bereiken?

Na de nederlaag herinnert de Eeuwige het volk aan hun bestemming door de offers te bespreken als ze eenmaal in het land aan zijn gekomen. De Eeuwige geeft ook een herinnering, de tsitsit. Een hulpmiddel als herinnering om de mitswot te doen, zodat ze tot hun bestemming kunnen komen. 

Laat je niet ontmoedigen om de bestemming te bereiken die de Eeuwige voor ons op het oog heeft.